De do’s en don’ts van OC - kernwoorden

Wist je dat je met kernwoorden bijna alles kunt zeggen? Het leren gebruiken van je kernwoordenschat is veel nuttiger dan een woord te kunnen zeggen dat je bijna nooit gebruikt.

David Niemeijer van AssistiveWare en Jane Farrall hebben de handen ineengeslagen en de poster 'De do's en don'ts van OC' gecreëerd in het kader van de internationale maand van de ondersteunde communicatie. In dit blog leggen we een van deze do's en don'ts uit.

In onze serie over de do's en don'ts van OC richten we ons in dit artikel specifiek op het kernvocabulaire. Het is geweldig om te zien dat leerkrachten, therapeuten en ouders het OC-systeem aangrijpen om taal beschikbaar te maken en te modelleren, en daarbij een degelijk kernvocabulaire gebruiken. Deze veelvoorkomende woorden kun je immers inzetten om vrijwel alles te zeggen. Het is dan ook veel handiger om met behulp van je kernvocabulaire te leren praten over de dingen die je bezighouden, dan woorden te leren die je misschien maar één keer in je leven nodig hebt.

Beschrijvend modelleren

Een OC-systeem moet degelijk zijn en bestaan uit de meest voorkomende kernwoorden, die ook nog eens een vaste plaats hebben. Door op zo'n systeem te modelleren kunnen leerkrachten hun onderwijs perfect afstemmen op de leerlingen die OC gebruiken. Gail Van Tatenhove heeft een alternatieve benadering ontwikkeld voor leerkrachten en OC-leerlingen, die nog een stap verder gaat. Met haar model van beschrijvend modelleren toont ze namelijk aan dat het veel doeltreffender is om OC-gebruikers te laten zien hoe ze zaken en situaties kunnen omschrijven met hun vocabulaire, dan hen te leren hoe ze specifieke, infrequente woorden vinden en uitspreken.
 
In haar artikel Teaching with Core Words: Building Blocks for Communication and Curriculum schrijft Jennifer Marden van AssistiveWare: '(...) we laten niet meer de leerling specifieke zelfstandig naamwoorden uit het hoofd leren om vragen in de les te beantwoorden; de leerling gebruikt kernwoorden om de lesstof te beschrijven. Een voorbeeld: in een les over de levenscyclus van de vlinder stelt de leerkracht een vraag over de verpoppingsfase. Dat kan een gesloten vraag zijn waarop één goed antwoord is, zoals “Hoe noemen we de derde fase van het leven van een vlinder?” Om deze vraag te beantwoorden moet het woord “verpopping” in het OC-systeem van de leerling zijn opgenomen. Hij/zij moet op z'n minst over een eenvoudig schema beschikken waarop de fasen staan afgebeeld.
 
Met de methode van beschrijvend modelleren leren stelt de leerkracht de vraag op een andere manier: “Wat gebeurt er tijdens de verpopping?” De leerling gebruikt kernwoorden om te antwoorden: “De rups slaapt.” “Hij verandert in iets anders.” “De rups wordt mooi.” Deze antwoorden bewijzen stuk voor stuk dat de leerling heeft begrepen wat de verpoppingsfase inhoudt.'
 
Beschrijvend modelleren heeft een aantal voordelen:

  • De leerling oefent veelvuldig om kernwoorden op te zoeken, woorden te combineren en zinnen te vormen.
  • Het stimuleert de leerling om diepgaander en creatiever na te denken over een bepaald onderwerp en het in zijn/haar eigen woorden te omschrijven.
  • Het bespaart tijd omdat de leerling geen infrequente woorden hoeft te programmeren, of te leren waar ze te vinden zijn.
iPad met Proloquo2Go

Adviseuse Kate Ahern heeft een duidelijke boodschap voor leerkrachten en logopedisten: 'Jullie werken veel te hard! Veel professionals denken dat ze elk woord moeten programmeren dat de OC-gebruiker nodig zou kunnen hebben in de klas, tijdens het schoolreisje of voor welke andere gelegenheid dan ook.'

Met welk vocabulaire willen we werken?

We verschaffen onze OC-gebruikers een degelijk kernwoordensysteem en we passen beschrijvend modelleren toe. Maar hoe gaan we om met de andere woorden, oftewel de randwoorden? In haar artikel op PrAACtical AAC helpt Carole Zangari ons herinneren om het kind niet met het badwater weg te gooien. 'Dat we een systeem gebruiken dat gebaseerd is op kernwoorden betekent niet dat we de randwoorden links laten liggen. Alle OC-leerlingen hebben woorden nodig waarmee ze kunnen praten over zaken die hen na aan het hart liggen: familie, vrienden, huisdieren, lievelingsdingen, favoriete plekken, et cetera.'
 
Dus gebruik vooral kernwoorden in je gesprekken, en alléén de randwoorden die relevant zijn voor je verhaal. De rest laat je buiten beschouwing.

Meer informatie